Bescherming en afwerving cliënteel

Ondernemingsrecht



Onze advocaten zijn gespecialiseerd in Ondernemingsrecht.

Contacteer ons via het online formulier of bel ons kantoor te Gent, Antwerpen of Brussel.

Bescherming van cliënteel

De bescherming van cliënteel is en blijft een heikel punt. Een onderneming wenst vanzelfsprekend haar cliënteel zo lang mogelijk te binden. Langs de andere kant moet de vrije markt kunnen spelen, en kan concurrentie niet volledig uitgesloten worden.

Goodwill kan worden omschreven als “de meerwaarde die een bestaande handelszaak of onderneming vertoont boven de som van de haar samenstellende delen doordat deze samengebracht en aangewend zijn om een onderneming te voeren en cliënteel aan te trekken of te behouden”.

Wettelijke bescherming?

Alvast in volgende gebieden is er een expliciete bescherming van cliënteel:

– Cliënteelvergoeding van de exclusieve consessiehouder;
– De uitwinningsvergoeding van de handelsagent en handelsvertegenwoordiger;
– Het recht op cliënteel gewaarborgd in de handelshuurwet door middel van de continuëteit van de huur en de compensatie in geval van uitzetting en onteigening van de handelszaak;

Daarnaast is er geen expliciete wettelijke bepaling die de goodwill van een onderneming op het vlak van cliënteel beschermt.

Afwerving als oneerlijke concurrentie

Wel is er de bescherming die geboden wordt tegen oneerlijke concurrentie bij wijze van onrechtmatige mededinging. Het wettelijk kader hiervoor is terug te vinden in de Wet Marktpraktijken (ook gekend onder de benaming WMPC).

Het komt er op neer dat van een normaal voorzichtige en redelijke onderneming kan en moet verwacht worden dat zij zich gedraagt overeenkomstig de eerlijke handelsgebruiken.

Afwerving van cliënteel is dan onrechtmatig wanneer deze samengaat met bijzondere omstandigheden.

Zo oordeelde het Hof van Beroep te Gent:

“De afwerving van cliënteel van een concurrent is op zich geoorloofd. Er is geen monopolie op cliënteel.
Dit beginsel vloeit voort uit de vrijheid van concurrentie.

De afwerving is pas onrechtmatig omwille van de bijzondere omstandigheden waarin ze plaatsvindt. “

Onder bijzondere omstandigheden kan gedacht worden aan:

– Gebruik maken van klantenlistings die onrechtmatig verkregen werden;

Zie als toepassingsgeval een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 9 november 2009.

– Laten uitschijnen dat de klant te maken heeft met de concurrerende onderneming waarbij verwarring wordt gesticht;

– Verspreiding van valse berichtgeving;

– Systematisch afwerven van personeel;

– Het aanzetten tot contractbreuk vanwege de klant (de zogenaamde derde-medeplichtigheid aan contractbreuk);

Zie wat deze laatste categorie betreft een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 9 februari 2009.

Het afwerven van cliënteel kan bestreden worden o.a. door het instellen van een stakingsvordering en het vorderen van een schadevergoeding.

Rechtspraak

  • Contractbreuk en afwerving van cliënteel

    Het afwerven van cliënteel van een concurrent is op zich geoorloofd, vermits deze voortvloeit uit de vrijheid van concurrentie. Deze afwerving wordt onrecht-matig op het ogenblik dat zij gepaard gaat met bijzondere omstandigheden en omwille van het doel dat zij beoogt (Gent, 5 mei 1999, Jaarboek Handels-praktijken & Mededinging 1999, 528).

    Appellanten verwijzen naar de vier cumulatieve voorwaarden welke moeten vervuld zijn opdat er sprake zou kunnen zijn van derde-medeplichtigheid aan contractbreuk (cfr. Cass., 28 november 2002, T.B.B.R. 2004, 402).Er moet echter een belangrijk onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, wat op zichzelf reeds onrechtmatig is en het voorwerp van een contractuele vordering, en anderzijds het aanzetten tot contractbreuk als bijkomende bezwarende omstandigheid in het kader van afwerving van cliënteel als oneerlijke handelspraktijk en voorwerp van een stakingsvordering. In huidige procedure moet geïntimeerde niet aantonen dat de vier voorwaarden tot daadwerkelijke derde-medeplichtigheid aan contractbreuk zijn vervuld.

    Cliënteel dat contractueel verbonden is, kan niet als “res nullius” worden beschouwd en heeft een patrimoniaal karakter. De vrijheid van concurrentie is veel beperkter m.b.t. contractueel verbonden cliënteel dan t.o.v. vrij cliënteel. Appellanten kunnen moeilijk stellen dat zij niet op de hoogte waren van de lopende contracten tussen geïntimeerde en haar klanten.

  • Bekijk de uitspraak op 9 februari 2009