• 080 360 360

Nummer met lokaal tarief

Schadevergoeding voor overlijden paard door fout van dierenarts

Onze advocaten zijn gespecialiseerd in Aansprakelijkheid.

Contacteer ons via het online formulier of bel ons kantoor te Gent, Antwerpen of Brussel.

Nr. C.07.0199.N

1. H.K.,
2. M.S.,
3. M.S.,
allen in hun hoedanigheid van erfgenaam van wijlen F. M.,
eisers,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

1. D. C.,
2. P. L.,
verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

– de artikelen 1147, 1149 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren in het bestreden arrest de hogere beroepen van de verweerders ontvankelijk en deels gegrond, hervormen het bestreden vonnis, verklaren de oorspronkelijke vorderingen van de verweerders ontvankelijk en deels gegrond en veroordelen dienvolgens de eisers om aan elk van de verweerders voor het verlies van de overlevingskans van het paard Prizrak een vergoeding te betalen van 80 pct. van 198.186,22 euro of 158.548,97 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 20 juni 1994 tot de datum van betaling en verwijzen de eisers in de kosten van beide aanleggen.

Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende overwegingen:

“1. De fout

(…) 1.2. (De verweerders) behoren aan te tonen dat dierenarts M. een beroepsfout beging, met name dat hij niet heeft gehandeld als een normaal zorgvuldig en voorzichtig dierenarts die in dezelfde omstandigheden verkeert wanneer hij het paard Prizrak op 29 september 1993 onderzoekt” (bestreden arrest, pagina 8, laatste alinea).

“Een weerhouden fout leidt tot zijn contractuele aansprakelijkheid” (bestreden arrest, pagina 9, voorlaatste alinea).
(…)

“De vraag rijst of elke normaal voorzichtig en zorgvuldig dierenarts ingevolge die informatie reeds bij het eerste onderzoek een maagsondage zou hebben toegepast?
De gerechtsdeskundige stelt enerzijds dat oprispingen een sterk indicatief voor maagdilatatie vertonen en anderzijds dat die symptomen eerder uitzondering dan regel bij maagdilatatie zijn (deskundigenverslag van 21 oktober 1994, blz. 6). De gerechtsdeskundige bedoelt blijkbaar dat wanneer die symptomen zich uitzonderlijk voordoen, de dierenarts moet gealarmeerd zijn, omdat die symptomen op maagdilatatie wijzen.

Dierenarts M. heeft aan de gerechtsdeskundige bevestigd dat hij heeft nagekeken of er symptomen van maagovervulling (braakneigingen, oprispingen) aanwezig waren. Zelf heeft hij geen oprispingen vastgesteld. Volgens de deskundige zijn bij een maagdilatatie oprispingen niet constant aanwezig. De ontvangen informatie moest door dierenarts M. bij het onderzoek worden geanalyseerd en was dan ook van die aard dat met de op dat ogenblik gekende wetenschap tot een maagsondage moest worden overgegaan.

Op dat ogenblik bleef de mogelijkheid van transport naar een dierenkliniek open. Een maagsondage zou de spanning in de maag op voorhand, voor elk transport hebben weggenomen.

(De verweerders) tonen derhalve aan dat dierenarts M. niet heeft gehandeld als een normaal zorgvuldig en voorzichtig dierenarts die in dezelfde omstandigheden verkeert wanneer hij het paard Prizrak op 29 september 1993 onderzoekt” (bestreden arrest, pagina 10, laatste alinea, tot en met pagina 11, vierde alinea).

“2. Oorzakelijk verband

De gerechtsdeskundige besluit:

‘Daarom ben ik van oordeel dat het uitvoeren van een maagsondage door Dr. M. de maagruptuur en bijgevolg de dood van het paard waarschijnlijk had kunnen voorkomen of minstens had kunnen uitstellen. De kans is bijgevolg groot dat er tussen het niet- uitvoeren van de maagsondage en de dood van het paard een oorzakelijk verband bestaat’.

Volgens het verslag van dierenarts V.M., verantwoordelijke van de dierenkliniek Noorderwijk – Voortkapel, is het paard gestorven aan de gevolgen van maagruptuur. De diagnose bij de lijkschouwing was maagruptuur. Er zijn geen gegevens dat die lijkschouwing op tegenspraak ten aanzien van de dierenarts M. is gebeurd. Dierenarts Van Den Putte, de die de belangen van dierenarts M. behartigde tijdens het deskundigenonderzoek, heeft niet betwist dat het om een maagruptuur ging nu hij op 27 september 1994 aan de deskundige faxte:
‘Bij aankomst werd de optie van maagruptuur niet vernoemd gezien de nog vrij goede toestand van het paard. Pas toen het dier plots verslechterde, werd voor de eerste maal een buikpunctie uitgevoerd en concludeerde men toen pas dat er zich een maagruptuur had voorgedaan. De diagnose maagruptuur is pas gesteld geweest toen de shock-symptomen zich begonnen te manifesteren en zeker niet bij de aankomst in de kliniek’ (definitief deskundigenverslag blz. 4-5).

Er mag bijgevolg worden aangenomen dat het paard aan de gevolgen van maagruptuur stierf.

Bij uitsluiting van andere oorzaken en steunend op de verklaring van (de eerste verweerster), vermag de gerechtsdeskundige te adviseren dat de oorzaak van de ruptuur waarschijnlijk te wijten is aan een voorafgaande maagdilatatie.

(De eisers) verwijzen naar de eigen fout van (de eerste verweerster). Ze tonen echter niet aan dat (de verweerster) zou hebben getalmd met het vervoeren van het paard naar de dierenkliniek. Terecht merkt (de verweerster) op dat het om een delicaat vervoer per vrachtwagen ging dat uiterst voorzichtig met een ziek paard moest gebeuren. Er zijn geen aanwijzingen dat (de verweerster) hierbij onzorgvuldig optrad.

De gerechtsdeskundige zegt dat de kans groot is dat er tussen het niet uitvoeren van de maagsondage, zijnde de fout, en de dood van het paard een oorzakelijk verband bestaat. Het uitvoeren van een maagsondage had de maagruptuur en bijgevolg de dood van het paard waarschijnlijk kunnen voorkomen. Voor het verlies van die kans moet de (eerste verweerster) – bedoeld worden de verweerders – worden vergoed” (bestreden arrest, pagina 11, vijfde alinea, tot en met pagina 12, laatste alinea).

“3. De schade
3.1. De gerechtsdeskundige begroot de schade op 396.372,45 euro (voorheen 15.989.625 frank)” (bestreden arrest, pagina 13, eerste alinea).
“3.3. Er is geen grond om een bijkomend deskundigenonderzoek te bevelen om de kans te becijferen en om advies te geven welk impact die zou hebben op de ontstane schade.
De gerechtsdeskundige achtte de kans groot. Die kans wordt begroot op 80 pct. van de reële schade.
De schade wordt begroot op de datum van de uitspraak. De tussen (de verweerders) gevoerde betwisting omtrent het eigendomsrecht van het paard en het verloop van het deskundigenonderzoek zijn niet aan enige tekortkoming van (de verweerders) te wijten. Ze hebben recht op de intrest tegen de wettelijke rentevoet op het schadebedrag gedurende de gevorderde periode.
3.4. Aan (de eerste verweerster) komt toe:
80 pct. van 198.186,22 euro of 158.548,97 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 20 juni 1994 tot datum van betaling.
3.5. (De tweede verweerder) gaat er onterecht vanuit dat de som van 15.989.625 frank moet worden omgezet in 396.972,45 euro waar dit 396.372,45 euro behoort te zijn.
Hiervan komt aan (de tweede verweerder) toe:
80 pct. van 198.186,22 euro of 158.548,97 euro (…)” (bestreden arrest, pagina 14, tweede tot en met zevende alinea).

Grieven

Krachtens artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek, is de schuldenaar gehouden tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een tekortkoming aan zijn contractuele verbintenis.

Krachtens artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek, moet de schuldenaar, bij wanuitvoering van een contractuele verplichting, volledig instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, behoudens de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek.

Overeenkomstig artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek, moet de schadevergoeding alleen omvatten hetgeen een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van het niet uitvoeren van de overeenkomst. Hieruit wordt afgeleid dat hij die een contractuele fout heeft begaan enkel gehouden is tot schadevergoeding wanneer er een oorzakelijk verband bestaat tussen de contractuele wanprestatie en de schade.

De rechter kan slechts wettig beslissen dat een fout in oorzakelijk verband staat met de schade, wanneer hij vaststelt dat de schade zoals ze zich in concreto voordeed, zich niet zou hebben voorgedaan, wanneer de fout niet was gepleegd.

Wanneer hij vaststelt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, kan de rechter degene die de fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de schade zoals ze zich heeft voorgedaan.

De vordering van de verweerders strekte te dezen tot vergoeding van de schade die zij geleden hebben ingevolge de dood van het paard Prizrak, welke dierenarts M. verweten wordt niet te hebben kunnen voorkomen.

Na eerder een contractuele fout in hoofde van dierenarts M. te hebben vastgesteld, beslissen de appelrechters dat verweerders voor het verlies van de overlevingskans van het paard dienen vergoed te worden op grond van de motieven dat “de gerechtsdeskundige zegt dat de kans groot is dat er tussen het niet uitvoeren van de maagsondage, zijnde de fout, en de dood van het paard een oorzakelijk verband bestaat” en dat “het uitvoeren van een maagsondage de maagruptuur en bijgevolg de dood van het paard waarschijnlijk (had) kunnen voorkomen” (bestreden arrest, pagina 12, laatste alinea).

Met deze overwegingen sluiten de appelrechters evenwel niet uit dat de werkelijke schade ook zonder de fout van dierenarts M. had kunnen ontstaan zoals ze zich heeft voorgedaan.
Met voormelde overwegingen nemen de appelrechters integendeel, impliciet doch noodzakelijk, aan dat het oorzakelijk verband tussen de door dierenarts M. begane fout, bestaande in het niet uitvoeren van een maagsondage, en de reële schade die voor de verweerders voortvloeit uit de dood van het paard, niet met zekerheid vaststaat.

Door verder te oordelen dat de verloren kans om de dood van het paard te voorkomen, kan worden begroot op 80 pct. van de reële schade (bestreden arrest, pagina 14, derde alinea), bevestigen de appelrechters in werkelijkheid dat er enkel een waarschijnlijkheid van 80 pct. bestond dat de schade zich zonder de fout van dierenarts M. niet zou hebben voorgedaan, zoals ze is ontstaan.
De appelrechters stellen derhalve niet wettelijk het oorzakelijk verband vast tussen de fout van dierenarts M. en de door de verweerders geleden schade, zoals ze zich heeft voorgedaan, en miskennen bijgevolg het wettelijk begrip “oorzakelijk verband”.

Door vervolgens te besluiten dat de verweerders voor “het verlies van die kans” moeten vergoed worden, nemen de appelrechters bovendien een andere dan de door de verweerders werkelijk geleden schade in aanmerking als vergoedbare schade, nu de reële schade van de verweerders niet bestond in het verlies van de kans om de dood van het paard te voorkomen maar in de gevolgen van de dood van het paard, en miskennen zij bijgevolg het wettelijk begrip “schade”.

In zoverre de appelrechters de eisers veroordelen om aan de verweerders 80 pct. van de door hen werkelijk geleden schade te betalen en hiertoe niet wettelijk konden vaststellen dat er een zeker causaal verband bestaat tussen de fout van dierenarts M. en de schade van de verweerders, zoals ze zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, doch deze causale onzekerheid dienden te compenseren door een andere dan de door de verweerders werkelijk geleden schade in aanmerking te nemen, miskennen zij dan ook zowel het wettelijk begrip “oorzakelijk verband” als het wettelijk begrip “schade” (schending van de artikelen 1147, 1149 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

1. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.
2. Het verlies van een reële genezings- of overlevingskans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat.
De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout.
De rechter kan aldus een verlies van een kans op genezing of overleving van een dier vergoeden indien hij vaststelt dat de eigenaar van een ziek dier dat mits een zorgvuldige behandeling slechts een kans had op genezing of overlijden, de kans op een gunstig resultaat heeft verloren door de fout van een dierenarts.
3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerders in ondergeschikte orde aanspraak maakten op vergoeding van het verlies van overlevingskans van het paard Prizrak wegens het niet-uitvoeren van een maagsondage.
4. Het arrest stelt vast dat:
– de dierenarts een fout beging door in de gegeven omstandigheden geen maagsondage te hebben toegepast;
– het paard ten gevolge van een maagruptuur is gestorven;
– het uitvoeren van een maagsondage, de maagruptuur en bijgevolg de dood van het paard waarschijnlijk had kunnen voorkomen;
– de deskundige de overlevingskans bij de juiste therapie op 80 pct. heeft bepaald.
5. De appelrechters oordelen aldus dat het paard bij de toepassing van de juiste therapie een reële overlevingskans had en laten geen twijfel bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, te weten het verlies van de overlevingskans en sluiten aldus uit dat deze schade zich ook zonder de fout van de veearts zou hebben voorgedaan.
6. Door op die gronden de vordering van de verweerders tot het betalen van schadevergoeding wegens het verlies van de overlevingskans gegrond te verklaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 1003,85 euro jegens de eisende partijen en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partijen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 5 juni 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.

Vond U dit artikel nuttig? Bedank ons met een review op google!
Gent
Antwerpen!

Geschreven door Mr. Herman Van Maldeghem

Mr. Herman Van Maldeghem is vennoot bij Cassier & Van Maldeghem advocaten en publiceert geregeld bijdragen over het contracten- en distributierecht.

Verkorte link

https://mijnadvocaten.be/?p=620

Gerelateerde artikels

Sorry, Geen gerelateerde Artikels gevonden.

Kantoren

Gent

Brugsevaart 31

9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23

Antwerpen

Brusselstraat 51

2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72

Brussel

Burg. Etienne Demunterlaan 5

1090 Jette

+32 (0)2 669 09 14