Gescande handtekening kan gelden als elektronische handtekening

Contracten



Onze advocaten zijn gespecialiseerd in Contracten.

Contacteer ons via het online formulier of bel ons kantoor te Gent, Antwerpen of Brussel.

Uitspraak op 3 augustus 2016

Nr. P.16.0862.N

G G,
vreemdelinge, vastgehouden,
eiseres,
met als raadsman mr. Bart Verbeelen, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, voor wie optreedt de fod Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Vreemdelingenzaken, directie Opvolging en ondersteuning, bureau Geschillen, met kantoor te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59B,
ambtshalve tussengekomen partij,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juli 2016.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 19.2 en 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest Grondrechten Europese Unie) en de artikelen 5 en 13 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna Richtlijn 2008/115/EG): het arrest kan niet oordelen dat de verwijderingsmaatregel de eiseres niet kan blootstellen aan een ernstig risico op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand; het niet-schorsend effect van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is niet voldoende om een opsluiting te verantwoorden; de in het middel vermelde bepalingen verzetten zich ertegen dat aan een beroep tegen een uitwijzingsbeslissing geen schorsend effect wordt toegekend in-dien de vreemdeling ernstig ziek is en de repatriëring hem mogelijk zal blootstellen aan een ernstig risico op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand; het arrest laat na te toetsen of de mogelijkheid bestaat dat de gezondheidstoestand van de eiseres een ernstig risico liep en het vermeldt niet de dossierstukken waarop het steunt om te oordelen dat de eiseres niet is blootgesteld aan een ernstig risico; het spreekt voor zich dat aan de gezondheidstoestand van de eiseres niet kan worden getwijfeld.

2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten of opkomt te-gen de beoordeling in feite door het arrest, is het niet ontvankelijk.

3. Bij arrest van 18 december 2014 (zaak C-562/13 van het Centre public d’action sociale van Ottignies-Louvain-la-Neuve t. Moussa Abdida, ro 53) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist dat de artikelen 5 en 13 van de richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de artikelen 19.2 en 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, aldus moeten worden uitgelegd dat ze zich verzet-ten tegen een nationale wetgeving die geen opschortende werking toekent aan een rechtsmiddel tegen een beslissing waarbij een ernstige zieke onderdaan van een derde land wordt bevolen het grondgebied van een Lidstaat te verlaten, wanneer de tenuitvoerlegging van die beslissing die vreemdeling zou blootstellen aan een ernstig risico op een zware en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheids-toestand.

4. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht, zo een ernstige ziekte wordt aan-gevoerd van de persoon tegen wie een bevel om het grondgebied te verlaten is ge-nomen en die met dat doel wordt vastgehouden, moet onderzoeken of de betrokkene ernstig ziek is en in voorkomend geval of de tenuitvoerlegging van de verwijderingsbeslissing de betrokkene zou blootstellen aan een ernstig risico op een zware en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand.

5. Het arrest oordeelt dat:
– de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel, ondanks het hangende beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing tot ongegrondverklaring van het verzoek tot medische regularisatie van 13 augustus 2014, de eiseres niet kan blootstellen aan een ernstig risico op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand;
– uit de door de eiseres neergelegde medische attesten van dr. Peeters van 24 mei 2016 en 28 juni 2016 blijkt dat zij wordt behandeld voor een langdurige de-pressie met suïcidale gedachten (psychiatrische begeleiding en medicatie);
– uit het administratief dossier evenwel blijkt dat in Oekraïne medische behandeling en medicatie beschikbaar zijn;
– de eiseres op 24 mei 2016 door de centrumarts werd onderzocht die haar geschikt achtte om in het centrum te verblijven.
Aldus toetst het arrest wel degelijk en zonder dat het daarbij nader moet aandui-den op welke dossierstukken het steunt of de eiseres ernstig ziek is en of de tenuitvoerlegging van de verwijderingsbeslissing haar zou blootstellen aan een ernstig risico op een zware en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Het verantwoordt dan ook naar recht de beslissing dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schorsende werking heeft.

In zoverre kan middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 6, Voorlopige Hechtenis-wet en artikel 861 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de noodzakelijkheid van een ondertekening van het geschrift die geldt voor alle akten of geschriften: het arrest oordeelt ten onrechte dat een in-gescande handtekening het betwiste bevel niet onwettig maakt; een ingescande handtekening staat gelijk met de afwezigheid van een handtekening, wat maakt dat de akte nietig is; de handtekening is ook vereist door artikel 16, § 6, Voorlopige Hechteniswet dat krachtens artikel 72 Vreemdelingenwet van toepassing is; ook artikel 861 Gerechtelijk Wetboek eist dat iedere akte is gehandtekend; de ingescande handtekening is slechts rechtsgeldig voor onderhandse akten, wat de betwiste beslissing niet is; bij de beoordeling van de waarde van een elektronische handtekening moet ermee rekening worden gehouden dat de beveiligingsmaatregelen die de verweerder aan zijn personeelsleden oplegt, niet kunnen garanderen of uitsluiten dat iemand anders het afschrift van de handtekening plaatste; er is alleszins geen enkele controle achteraf mogelijk over wie de ingescande handtekening heeft geplaatst.

7. Artikel 72, vierde lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat er bij het wettigheidstoezicht over de maatregelen van vrijheidsberoving van vreemdelingen wordt gehandeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen op de voorlopige hechtenis, behoudens onder meer deze betreffende het bevel tot aanhouding en de onderzoeksrechter.
Artikel 16, § 6, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Het bevel wordt ondertekend door de rechter die het heeft verleend, en wordt met zijn zegel bekleed. Bij ontstentenis van de handtekening van de rechter, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld. (…).”

Die bepaling heeft enkel betrekking op de ondertekening van een bevel tot aan-houding door de rechter die het verleent, maar niet op de ondertekening door een gemachtigde ambtenaar van een bevel om het grondgebied te verlaten met vast-houding met het oog op verwijdering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

8. Artikel 861 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt in welke gevallen de rechter een proceshandeling kan nietig verklaren of de niet-naleving van een op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn kan sanctioneren, is vreemd aan de aangevoerde grief.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

9. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel “van de noodzakelijkheid van een ondertekening van het geschrift die geldt voor alle akten of geschriften”.

In zoverre het middel miskenning van dat algemeen rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.

10. Artikel 2, tweede lid, 1°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten (hierna Wet Elektronische Handtekening) bepaalt dat onder een elektronische handtekening wordt verstaan “gegevens in elektronische vorm, vastgehecht aan of logisch geassocieerd met andere elektronische gegevens, die worden gebruikt als middel voor authentificatie”.

Voor een dergelijke gewone elektronische handtekening bepaalt de wet geen andere eisen.

11. Noch de Vreemdelingenwet noch enige andere bepaling vereisen dat de beslissing tot vrijheidsberoving wordt ondertekend met een geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld door artikel 2, tweede lid, 2°, Wet Elektronische Handtekening.

12. Artikel 4, § 5, Wet Elektronische Handtekening bepaalt dat een elektronische handtekening geen rechtsgeldigheid kan worden ontzegd en niet als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures kan worden geweigerd louter op grond van het feit dat de handtekening in elektronische vorm is gesteld, of niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat, of niet is gebaseerd op een door een geaccrediteerd certificatiedienstverlener afgegeven certificaat of zij niet met een veilig middel is aangemaakt.

13. Hieruit volgt dat het aan de rechter staat de bewijswaarde van de elektronische handtekening te beoordelen en dus na te gaan of er voldoende waarborgen zijn of hij wiens ingescande handtekening is vermeld op de beslissing daadwerkelijk de beslissing ook heeft ondertekend.

14. In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling in feite of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

15. Het arrest oordeelt dat het gebruik van een elektronische handtekening door de ambtenaren van de verweerder in overeenstemming is met de wetgeving betreffende de elektronische handtekening en een beslissing met een dergelijke elektronische handtekening wel degelijk rechtsgeldig is. Aldus verantwoordt het die beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

16. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 15 Grondwet en artikel 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de regelgeving in verband met de onschendbaarheid van de woonst niet is ge-schonden en dat de beweringen van de eiseres op dat vlak niet worden gestaafd met stukken; de politie is nochtans manu militari binnengevallen en hebben de eiseres en haar echtgenoot van hun bed gelicht, zonder dat blijkt dat er een bevel was van de onderzoeksrechter, de eiseres op heterdaad werd betrapt of er toe-stemming werd verleend, nadat de betrokkene voorafgaandelijk voldoende werd geïnformeerd.

17. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten of komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest.

Het middel is onontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 94,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Sme-tryns en raadsheren Pierre Cornelis, Filip Van Volsem en Michel Lemal, en op de openbare rechtszitting van 3 augustus 2016 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.



Verkorte link

https://mijnadvocaten.be/?p=2593

Gerelateerde artikels

Handtekening op carbonpapier is geen origineel

Handtekenen van een contract